Menu




Poll
Wie is de medewerker van de maand?
Paul
Karel
Michael
Alex
Nico-Jan de rimmer
de chef
Suzanne
Jan-Daan
Magda
de opperchef


Resultaten
Kantoor
De eerste dag van Alex op het kantoor.



‘Jij kunt niet langer alleen zitten. Er is gewoon geen ruimte meer’, zei de chef tegen Alex.

‘Mooi is dat. Eerst word ik uit mijn functie gezet en nu ook nog uit mijn kamer. Ik baal daar vreselijk van’, zei Alex.

‘Jij moet bij Paul op de kamer gaan zitten. Paul zat tot gisteren met Nico-Jan op de kamer, maar Nico-Jan heeft een nieuwe functie gekregen’, de chef sprak met een zekere statige overtuiging.

‘Oh, Nico-Jan een nieuwe functie? Goh, wat mag dat zijn. Een bijzonder kind is die Nico-Jan en dat is hij, maar ik heb hem nog nooit op een creatieve gedachte betrapt’, zei Alex.

‘Jij zit in een negatieve weerstandsfase, dat begrijp ik heel goed. Nico-Jan komt in de staf. Die wordt reintegratiemanager’, zei de chef.

Alex knikte en dacht: ‘Gelukkig dat ik helemaal zelf reintegreer. Gesprekken met Nico-Jan is wel het laatste wat ik wil.’

‘Jij bent ook psycholoog?’ vroeg Alex.

‘Hoezo?’ vroeg de chef.

‘Nou vanwege de analyse over de negatieve weerstandsfase.’

‘Dat spreekt voor zich. Verdriet en rouw is er in jouw leven. Dat weet ik wel en accepteer ik natuurlijk…..’



De chef sprak door, maar Alex hoorde niet meer wat de chef zei. Het maakte hem allemaal niet meer uit. Na bijna een jaar thuiszitten, was hij vandaag weer naar het werk gegaan. Niet meer als chef. Hij mocht geen chef meer zijn. Hij beschikte over te weinig invoelend vermogen en was te weinig loyaal. Dat had de opperchef vorig jaar gezegd. De opperchef was er zelfs bij gaan staan toen hij zei: ‘Jij past niet in het team, jij doet jouw zin en dat kan niet. Jij denkt na en dat doen wij niet.’
Alex was na dat gesprek, dat vandaag precies een jaar geleden plaats vond, naar huis gegaan. Het klopte wat de opperchef zei. Hij dacht na. Dat had hij nu een jaar gedaan. Een jaar had hij nagedacht over de zin van het leven. Een echt antwoord had hij nog niet gevonden, maar hij wist zeker dat hij er beter een leuke tijd van kon maken dan een tijd waarin hij voortdurend gekweld werd door zorgen om niets.
Vorige week had hij de chef gebeld en gezegd dat hij weer kwam werken. Hij had gevraagd of zijn kamer leeg was.

‘Daar moeten we eerst over praten’, zei de chef toen.

Maar erover praten betekende dat de chef een mededeling deed.

‘Het is allemaal goed’, zei Alex, ‘Ik loop nu wel even langs Paul en ga kennismaken.’
Hij stond op en liep de kamer van de chef uit.



‘Hoi, mag ik binnenkomen, ik ben Alex’, zei Alex.

‘Hallo, welkom, Paul, jouw nieuwe kamergenoot’, zei Paul die vanachter zijn bureau opsprong en met uitgestoken hand op Alex afliep.

‘Ja, ik dacht eerst morgen te beginnen, maar het wordt volgende week. Even bijkomen van de eerste dag’, zei Alex.

‘Mijn idee. Helemaal goed. Wat voor soort muziek hou jij van?’

‘Ha, jij bent muziekliefhebber. Dat is goed. Ik ook. Ik heb een heel brede smaak. Pop, jazz, klassiek, dance maakt niet uit. Geen salsa, daar word ik nerveus van.’

‘Ik ook. Die ritmes verstoren mijn rust. Ik heb vandaag John Lennon dag.’

‘Wow, ben ik ook nog altijd fan van. Mijn vrouw zegt dat het oude lullen muziek is, maar dat maakt niet uit.’

‘Wat ga je doen hier?’

‘Geen idee. Nog niet over gesproken. En wat doe jij?’

‘Rustig aan. Ik doe alle competities. Dat is vreselijk leuk. Formule 1, voetbal, tennis en noem maar op. En ik doe de sportdagen en andere buitenactiviteiten. Heb ik het wel druk mee. Af en toe schrijf ik wat beleidsmatige onzin. Een memo of een nota is gauw gedaan. Daar praten ze dan weer over en dan herschrijf ik het. Zo gaat dat.’
‘Ik denk dat we het wel gezellig gaan hebben.’

‘Zeker weten.’

‘Tot volgende week.’

‘Ok, goed weekend.’




Het eerste moment uit 2002.


De kleine man zat achter zijn bureau. Het bureau dat voor hem stond leek heel erg groot. Groot, omdat hij klein was, maar ook groot omdat er niks op het bureau stond. Dat was opvallend, want hij had ook geen computer. Iedereen in het kantoor werkt digitaal, maar de kleine man niet. Hij had een inbakje op zijn bureau en aan de andere kant een uitbakje. Dagelijks kreeg hij een stapel dagafschriften met bijlagen en een uitdraai uit een computerprogamma. Met een pen zette hij achter alle nummers en namen op de uitdraai een vinkje als deze overeenkwamen met de nummers en namen op het dagafschrift. Aan het eind van de dag waren allen namen en nummers gevinkt. Altijd. Er was nooit een fout.
De kleine man vroeg zich niet af waarom hij dit werk deed. Hij deed het al bijna dertig jaar. Iedere dag weer. Soms als de computer moest worden onderhouden of als er een storing was, dan deed hij een dag niets. Hij voelde zich dan verdrietig. Ander werk beheerste hij niet en niemand nam ooit de moeite iets met hem te bespreken. Ook zijn chef niet. De kleine man kwam en ging zonder met de mensen op de afdeling te spreken. Natuurlijk zei hij wel goedemorgen en zeiden ze ook goedemorgen tegen hem terug, maar dat was het. Hoewel, goedenavond dat was er ook nog.


Plotseling is de kleine man niet meer gekomen. Het was al elf uur voordat iedereen hem miste. De chef werd op de hoogte gebracht. Hij zocht het telefoonnummer van de kleine man op. en belde. Hij kreeg een voicemail. De chef sprak een bericht in. Die middag om drie uur stond plotseling een politieagent aan de balie. Of de kleine man hier op dit kantoor werkte. Hij liet een pasfoto zien. Jazeker, de kleine man werkt hier. Hij is dood, zei de agent. Hij dreef in de haven. We vonden in zijn zak een papiertje met zijn werkadres. Goh, dood, zei de chef. Een raar idee. Gisteren was hij er nog. De chef liep naar de afdeling. Hij haalde het inbakje leeg en gooide het werk in de prullenmand. Niemand had de kleine man verteld dat dit werk ongeveer vijf jaar geleden was afgeschaft. Ze vonden het zielig. Hij zou teveel verdriet krijgen en anders zouden ze hem moeten opleiden voor iets anders en dat wilde ook niemand. Beter zo dan een ww-uitkering. Het maakt niet uit. Het werk van de kleine man hoef je niet meer aan te leveren zei de chef tegen de systeembeheerder. Schrap de dagelijkse uitdraai maar.


Na twee dagen was het bureau van de kleine man voorzien van een computer. Niemand miste hem. Hij was begraven hoorden ze op de afdeling. Niemand was daar naar toe gegaan.




De herschreven versie van 19 maart 2005.



'Heb je dat gelezen? Tiebout van Eyck is dood', zei Alex tegen Paul.

'Van Eyck, die kleine van de kasafdeling? Dood?. Gisteren zag ik hem nog lopen', zei Paul.

'Ik ga straks even koffie halen bij Geurt Weijdeveld. Dan weet ik wel wat er gebeurd is', zei Alex.



Alex liep een half uurtje later ontspannen naar de kamer van Geurt. Geurt kende hij goed, want ze hadden samen op de beginnerscursus gezeten. Ondanks dat Geurt nu chef was, was hij een van de weinigen die als chef normaal was gebleven. Alex ging soms wel eens iets drinken met Geurt.

'Hi Geurt', zei Alex.

'Hi Alex, tjonge wat een gedoe is het hier.' Geurt viel met de deur in huis.
'Ja Van Eyck is dood las ik. Wat is er gebeurd?'



Geurt stond op en deed de deur van zijn kamer dicht.

'Jongen het is een ellende. Je weet dat Van Eyck hier al ruim veertig jaar werkte. Hij wilde niet met vervroegd pensioen. Hij woonde alleen met zijn broer in het huis van zijn ouders die er niet meer zijn. Ik ben er een keer geweest toen hij ziek was. Man, je had die viezigheid moeten zien. Onbeschrijfelijk. Van Eijk bleef dus komen. Toen heb ik hem werk gegeven dat al een tijdje niet meer bestond. Ik liet hem dagafschriften afvinken aan de hand van een computerlijst. Je weet wel al die betalingen van kleine dingen nog eens controleren. Dat heb jij misschien ook nog wel eens gedaan vroeger.'

'Ja, begin jaren tachtig deden we dat nog.'

'Nu dus niet meer. Maar dat heb ik nooit aan Van Eyck verteld. Wist hij veel. Hij kwam hier voor zijn dagelijkse contacten. Een soort dagverblijf. Omdat dat toch voor de meesten hier geldt, maakte het mij niks uit. De collega's ook niet. Ze vonden het zielig. Nu heeft twee weken geleden de opperchef ontdekt wat we hier deden. Ik kreeg de opdracht Van Eyck ander werk te geven. Dat heb ik vorige week gedaan. En nu dreef hij in de rivier.'

'Tjeezus, wat een shit.'

'Zeg dat, zeg dat.'

Geurt knikte somber.

'Zullen we nog een koffie halen?'

'Ik haal wel', zei Alex.



Toen Alex terug kwam deed hij de deur weer dicht.

'Vanmorgen heb ik het bureau van Van Eyck opgeruimd. Duizenden hele kleine papiertjes waarop hij precies bij hield hoeveel dagafschriften hij iedere dag controleerde lagen in zijn lades. Ik heb alles weggegooid. Een heel werkzaam leven gooide ik in de papiercontainer.'

'Had je als kunst kunnen verkopen misschien.'

'Ja, het is wel bijzonder zo'n man. Ik moet vanmiddag nog naar die broer. Zal ook wat worden.'

'Hij zal het kantoor wel de schuld geven.'

'Ach, ik denk niet dat Van Eyck thuis veel vertelde.'

'Hm, misschien niet.'



Het tweede kantoormoment, geschreven ergens in 2002



Digitaal
of hoe het milleniumhorloge toch nog nuttig kan zijn


- Ik vind nummer drie van de cd van Bruce Springsteen te gek.

- Nummer zeven is anders ook gaaf.

- Zeker, nummer zeven is ok. Tien is ook ok.

- Bij die van de Red Hot Chili Peppers zijn het nummer 5 en nummer 12.

- Ben ik met je eens. Gaaf.

- Op mijn minidisc maakte ik een fout, het begon bij 2 te tellen. Raakte ik steeds in de war.





- Ja dat is lastig.

- Ik geef nooit titels mee. Veel te veel werk.

- Is niet meer nodig.

- Vroeger wist ik nog hoe nummers heten.

- Ja toen was het anders.

- Ach alles is nu digitaal.

- Hoe laat is het?

- 13 18

- Aj, de lunchpauze is al voorbij

- Tot hoe laat moet je.

- 16.15

- Oh, rustig aan.

- Ach joh, het nog 15896 uur tot mijn pensioen.

- Hoe weet je dat?

- Heb ik op mijn milleniumterugtelhorloge ingetoetst.

- Kijken.

- Hier, zie je nog 15896 uur, ofwel nog 662 dagen en drie uur.

- Word je daar niet depri van.

- Nee, juist vrolijk. Ik tel af.

- Doen we allemaal

- Dan ga ik genieten.

- Je hebt gelijk.







Het derde kantoormoment, kerst 2002 , herschreven op 19 maart 2005


Alex zette zijn kerstpakket op het perron neer. Het was dit jaar een redelijk zware doos. De doos was groter dan andere jaren. Hij baalde ervan. Als je met zo'n doos naar de trein liep had je iets zieligs. Hij voelde de andere mensen meewarig kijken. Een werker met een doos vol overbodige voedingswaren die zich naar huis begaf.

'Het is toch fijn dat de opperchef zo goed aan ons denkt', had de chef gezegd.

'Mag ik een teiltje', had Alex gezegd.

'Ja jongen, ik moet dat ding ook meenemen, anders wordt mijn vrouw helemaal maf. Ze weet dat we die rommel krijgen van Nico-Jan de rimmer die woont vlak bij ons, ' had Paul lachend gezegd.

Alex leunde tegen de reling van de trap.





De thuisloze junk had hem met de doos zien lopen. Hij voelde dat de man niet snel was. Hij had zijn collega thuisloze aangestoten en gezegd:

- Jij leidt hem af en ik grijp de doos. Ik ren en jij houdt zijn jas vast.

- Ok, we doen het.

De collega thuisloze slenterde rustig naar Alex toe. Alex zag hem aankomen en begon te balen. Straks zou die man zeggen:

- Mag ik u wat vragen.

- Nee, was zijn standaard antwoord.

Maar, hij was in een goede bui. Hij dacht bij zichzelf zal ik die vent die hele rotdoos geven? Waarom niet. Als hij wat vraagt dan geef ik hem de doos.

De thuisloze naderde. Hij kwam heel dichtbij. Hij draaide om hem heen. Toen hij al bijna voorbij was, draaide hij zich om en sprak het onvermijdelijke:

- Mijnheer, mag ik u wat vragen. Terwijl de thuisloze dat zei, greep hij Alex jas en zakte in elkaar. Alex was direct bezorgd en boog zich over de man.

- Ik wilde ja zeggen deze keer, mompelde hij.

De andere thuisloze was snel. Hij schoot toe, pakte de zware doos op en zette het op een lopen. De gevallen thuisloze hield de jas van Alex stevig vast en rochelde. Heel overtuigend. Hij wilde zich losrukken, maar was te laat. Hij zag de andere man wegrennen met de doos.

De gevallen man stond op.

- Het gaat wel, zei hij, die vent heeft uw doos gepakt.

Hij knikte het maakte niet uit. Hij gaf de gevallen thuisloze een muntstuk van twee euro.

- Hier haal maar een biertje.



De thuislozen gingen met de doos terug naar hun doos en aten die avond kaascrackers met chocoladepasta en zongedroogde tomaten met vruchtenwijn. De brief van de opperchef hadden ze samen met de houtwol uit de doos gebruikt om hun vuurtje aan te steken.





Roken, een kantoormoment van rond 1 januari 2004






Tien voor half vijf is bijna half vijf. Tevreden gooide Jan met een harde klap zijn bureaula dicht. Hij trok de stekker van de computer uit de muur. Geen zin om af te sluiten. Morgen is er weer een dag. Wat er nog op zijn bureau lag schoof hij in een grote hoop op elkaar.


'Tot morgen,' zei hij tegen Evert die de hele dag tegenover hem zat. Evert moest nog een half uur.


Joris rende naar buiten. In de lift had hij het kleine sigaartje al in zijn mond gestoken. De aansteker hield hij in zijn hand. In de draaideur stak hij zijn sigaartje aan. Hij zoog de rook diep naar binnen.


'Lekker,' dacht hij.

Sinds hij binnen niet meer mocht roken, liep hij iedere ochtend en iedere avond naar de volgende halte van de metro. Hij kon dicht bij zijn kantoor in en uitstappen, maar ook in het station was roken verboden. Bovendien ontbrak bij de ingang van het station de prullenbak. Alleen bij de kiosk stond een plastic prullenbak met het opschrift Ola ijs. Tijdens zijn wandeling naar het volgende station kwam hij precies negen prullenbakken tegen. Hij constateerde met genoegen dat de eerste prullenbak vanmorgen vlam had gevat. De groene verf bladderde zwart tegen het metaal van de prullenbak aan.

Sinds hij niet meer mocht roken, gooide hij iedere dag de nog brandende peuk van zijn sigaar in een van de negen prullenbakken. Zijn doel was dat alle prullenbakken aan het einde van het jaar verbrand zouden zijn. Op zijn eerste werkdag in het nieuwe jaar was hij zo kwaad geweest over het rookverbod dat hij zonder nadenken de brandende peuk in de prullenbak had gegooid. Nu dacht hij er wel bij na.

'Klootzakken zijn het,' dacht hij.

Hij zag dat in de prullenbak bij het station twee spitsen rechtop stonden. Zorgvuldig en toch onopvallend, gooide hij de peuk naast de spitsen. Jammer dat hij het brandje niet zou kunnen zien.

'Mijnheer, blijft u even staan,' zei de dikbuikige agent.

Joris keek om en zag een agent met een enorme buik op hem afkomen.

Hij aarzelde niet en rende het station in. De metro kon elk moment komen gaf het infobord aan.

Hij rende de trap af. De metro reed het station binnen. Hij sprong de metro in.
De agent was te laat.

Morgen weer een dag, lamlul, dacht Joris terwijl hij met zijn rechterhand het doosje sigaren uit zijn jaszak haalde.




Lege ordners, een herschreven kantoormoment uit 2003



'Zijn dat lege ordners?' vroeg de chef.

'Ja, dat zijn lege ordners. We digitaliseren, dus die ordners zijn niet meer nodig', zei Alex.

'Je moet lege ordners naar de lege ordnerkamer brengen', zei de chef tegen Alex.

'Nooit van gehoord, weer nieuw zeker. Waar is dat dan?', vroeg Alex die onderweg was naar de vuilcontainer met zijn stapel lege ordners.

'Op de derde, ergens in het midden.'

'Bekijk jij het even, ik ga met die lege ordners echt niet naar de derde. Ik heb nu al last van mijn rug. Vroeger kon je het vuil gewoon in de prullenbak gooien, maar dat mag nu niet meer. Je mag ze overigens zelf wel wegbrengen hoor.'

'Maar we moeten bezuinigen.'

'Ze moeten de trap maar van bovenaf schoonvegen.'

'Ja, zo schuif je lekker de verantwoordelijkheid door.'

'Ach, zeur niet. Soms lijk je niet eens op een chef.'

Alex mompelde een groet en liep door.
'Zelfsturing is ook zelfverantwoordelijkheid nemen', riep de chef nog naar de rug van Alex.

Alex gooide de lege ordners naast de volle afvalcontainer en het invalidentoilet in. Hij zuchtte diep. Wat een vreselijke dag. Hij had hoofdpijn.




Een kantoormoment van 18 maart 2003 in oorspronkelijke vorm.


De flatus







Johan tilde zijn ene bil een klein beetje op. Hij keek naar de deur. Niemand. Hij zette een klein beetje aan en de wind, of liever hele serie winden, ontsnapte uit zijn poepgat. Tjonge, dat luchtte op. Die chili con carne van gisteren zat behoorlijk dwars. Dat kidneybonen zo'n kramp konden veroorzaken had hij niet geweten. Hij liet zich in zijn stoel terugzakken. De lucht was overweldigend. Soms liet hij winden die helemaal niet roken. Soms was de stank niet te houden. Dat was nu het geval. Hij pakte een map en juist toen hij zijn eerste zwaai beweging wilde maken, kwam Dirksen binnen.

- Goedemorgen Johan. Ik wil even praten over jouw functioneren, zei Dirksen.
- Nu, zo onverwacht?, vroeg Johan.

- Ja. Dat lijkt mij een goed moment, zei Dirksen.Als communicator scoorde Dirksen niet hoog.

Dirksen liep nu verder de kamer in. Nog geen vijftien seconden nadat de winden waren gelaten stond Dirksen midden in de stank. Hij keek naar Johan's schoenen.
- Heb je in een hondendrol getrapt?, vroeg Dirksen.

- Nee.

- Het stinkt hier vreselijk.

Johan werd balorig. Hij vond Dirksen altijd al een grote nul. Nu hij daar zo onbeholpen zijn neus vol stank stond te snuiven, vond Johan het erger dan gisteren. Wat een onbenul. Dirksen altijd perfect in het pak. Een ambtenaar in de ware zin des woords. Stijf, formeel en altijd met een kladblok onder zijn arm onderweg naar de volgende vergadering.

- Ik heb niet een stuk of tien lekkere scheten gelaten. Ze moesten er uit. Zal jij ook wel eens hebben toch?

Dirksen werd direct rood. Dit had hij niet verwacht. Op de cursus action learning was dat ook niet behandeld.

- Soms stinken ze en soms niet. Vandaag stinken ze nog al. Tjeezus.

- Dat kan toch niet. Dit is ongehoord, zei Dirksen die langzaam ontwaakte.
- Ja hoor, kan best. Niks aan te doen.

- Dit is niet integer.

- Hoezo

- Dit doe je jouw collega's niet aan.

- Dan ga je toch de gang op en over een minuut ruik je niks meer.

Dirksen liep de gang op. Hij was vergeten waar hij voor kwam. Hij liep naar zijn kamer en toen hij weer was gaan zitten realiseerde hij zich dat hij een functioneringsgesprek had willen voeren.




De herschreven versie, maart 2005


Een kantoormoment.



'God, wat stinkt het weer op de zaal. Dat niemand daar iets van zegt begrijp ik niet', mopperde Alex tegen Paul toen hij terug kwam na een sociale wandeling langs verschillende collega's.

'Het is Gijs. Die laat voortdurend scheten. Hij kan het de hele dag door volhouden. Boeren laten kan hij ook op commando. Het is een fenomeen. Ik ken hem nog van vroeger. Toen zaten we samen op een zaal. Ik heb hem toen gezegd als je weer doet, sla ik je gewoon voor je bek', zei Paul.

'Dat hielp?'

'Ja, dat hielp. Gijs is een angsthaas. Hij heeft een grote bek, maar als je laat zien dat je niet bang bent, dan trekt hij zich snel terug. Hij is gewoon een lul de behanger. Doet ook nergens aan mee en trakteert nooit op zijn verjaardag', zei Paul.
'Gerie Blok doet natuurlijk niets. Die houdt haar mond wel.'

'Niemand daar durft nu iets.'

'De chef ook niet.'

'Nee, die zeker niet. Die zit na te denken over zijn tweede gele kaart.'



De chef had nagedacht over zijn tweede gele kaart. Hij wist dat hij daden moest laten zien. Geen woorden, maar daden. Hij had na een lang weekend besloten dat het vandaag tijd was om de scheten latende Gijs aan te pakken.

'Gijs, kan je onmiddellijk bij mij komen', zei de chef toen Gijs de telefoon op nam.
'Bij wie?' vroeg Gijs die de stem van de chef niet herkende.

'Bij mij, de chef', zei de chef.

'Nee, nu niet. Ik moet werken', zei Gijs.

'Ik bedoel niet dat jij nee mag zeggen. Je moet nu komen', zei de chef.

'Rustig maar, ik kom eraan', zei Gijs.



Gijs ging tegenover de chef zitten.

'Ik heb veel klachten over jou ontvangen', zei de chef

'Zal wel', zei Gijs.

'Klachten dat jij winden laat tijdens het werk', zei de chef.

'Zal wel', zei Gijs.

'Dat is geen integer gedrag', zei de chef.


'Zal wel, maar ze motten eruit die er niet in horen. In je broek schijten is ook niet intregant', zei Gijs.


'Integer', zei de chef.


'Zal wel', zei Gijs.


'Wat ga je veranderen?' vroeg de chef.


'Niks, ik ga niks veranderen. Je discremeneert mij omdat ik ziek ben', zei Gijs


'Ik discrimineer niks. Ik weet niet eens dat jij ziek bent', zei de chef.


'Mijn darmen gaan jou ook helemaal niks an', zei Gijs.




Een kantoorrmoment van eind 2002




Iedere ochtend reed Wim Ek door een hoop hondenpoep vlak voordat hij zijn fiets in de fietsenstalling van zijn kantoor stalde. Hij deed het zorgvuldig. In een rechte lijn pakte zowel het achter- als het voorwiel de hoop mee. Op zijn fiets zaten goede profielbanden. De poep zat iedere dag stevig aan de wielen. Wim stalde zijn fiets in de winter zo dicht mogelijk bij de verwarming en in de zomer bij het luchtverversingsapparaat. In de winter stonk de



fietsenstalling vreselijk, maar bleef de stank in het gebouw beperkt. In de zomer stonk op sommige dagen het hele gebouw naar hondenstront. De ouderwetse luchtverversingsinstallatie pakte flink wat walm mee.

Als Wim naar huis reed, reed hij altijd even langs de autowasstraat. Daar lag een langgerekte plas water zodat hij thuis geen last had.
De chef van de facilitaire dienst had veel klachten gekregen. Een diepgaand onderzoek had uitgewezen dat het de fiets van Wim Ek was die de stank in het gebouw veroorzaakte. De managementvergadering was bij elkaar gekomen en na een relatief kort beraad had men de teamleider van Wim opdracht gegeven Wim aan te spreken op zijn vuile fietswielen.

Vandaag moest Wim bij zijn teamleider komen.

De teamleider, een dikke nerveuze man, die eigenlijk liever geen leidinggevende wilde zijn, had al zijn moed verzameld en sprak:

- Wim, jouw fiets is vies. Hij stinkt. Daar komen klachten van.

- Oh, had Wim gezegd, ik weet daar niks van. Wat is er dan.

- Er zit stront aan de banden. Dat stinkt.

- Stront aan de banden? Het lijkt mij onmogelijk, maar het kan wel eens gebeuren. Jij hebt zelf honden. Je neemt toch ook niet altijd een schep mee om die uitwerpselen op te ruimen.

- Nee, dat is waar.

- Nou, zie je wel, het is de schuld van hondenmensen. Die zorgen voor drek en nou stinkt mijn fiets.

- Eh ja, dat is een probleem. Maar jij moet beter uitkijken.

- Hoezo, het is donker als ik hier kom. Denk jij dat ik iedere hoop zie liggen?

- Nee, misschien niet, maar dat het nu iedere dag zo is, is vreemd.

- Ik geloof er niks van dat het iedere dag zo is.

- Jouw fiets moet schoon.

- Ja eh, bekijk het effe. Ik rijd gewoon naar kantoor. Je ziet maar.
Wim was weggegaan. Hij genoot. Morgen zou hij door twee hopen rijden besloot hij. Dit jaar had hij sowieso een klote kerstpakket gekregen, dus hij zou ze eens een poepie laten ruiken, de galbakken.



Copyright 2004 © Sylans.net