Menu




Poll
Wie is de medewerker van de maand?
Paul
Karel
Michael
Alex
Nico-Jan de rimmer
de chef
Suzanne
Jan-Daan
Magda
de opperchef


Resultaten
Kanker
Het begin.


Heel zachtjes huilde Natasja. Haar gezicht verstopte ze achter een zakdoek. Niemand in de eerste klas coupe van de trein hoefde te zien dat ze huilde. Ze deed alsof ze verkouden was en haar neus snoot. Op het moment dat de dokter haar de uitslag gaf had ze hem recht in zijn gezicht aangekeken.
‘Het is uitgezaaid.’, had hij gezegd.
‘Godverdomme.’, was haar reactie. Ze had toen nog niet gehuild.
‘Waar het allemaal precies zit, weten we niet. Maar ik heb sporen op je nieren en je lever gezien.’
Ze had niks meer gezegd.
Hij had verteld over chemotherapie en bestraling.
‘Hoe lang nog?’, vroeg ze.
‘Kan ik niet zeggen. Dat is bij iedereen verschillend.’
‘Ongeveer?’
‘Drie maanden, een jaar misschien.’, had hij gezegd.
Ze gaf hem een hand en mompelde: ‘Tot ziens.’
Ze zei niet bedankt. Dat zeg je als iemand iets voor je doet, dacht ze. Maar zeg je dat ook als iemand jouw doodvonnis betekent?
Drie maanden, misschien een jaar. Dat is dus tussen de negentig en driehonderdvijftig dagen. Daarvan zouden veel dagen besteed worden aan therapie.
Ed was vijf jaar geleden aan kanker overleden. Bij hem had ze gezien wat kanker met je doet. Er blijft werkelijk niets van waardigheid over. Het laatste half jaar was hij dagelijks onderweg naar en van het ziekenhuis. Op het laatst zag zijn hoofd er uit als een voetbal met hier en daar een pluk haar. Teveel prednison. Ze was bij hem geweest op de avond voordat hij dood ging. Ze hadden nog naar Neil Young geluisterd. Neil had ze nooit meer kunnen horen daarna.
Ze snoot nu echt haar neus.
Drie maanden, een jaar misschien.
Ze leunde haar hoofd tegen de hoofdsteun en haalde diep adem. Ed was niet de enige. Er waren meer mensen in haar leven geweest met kanker. Juffrouw Boekesteijn had kanker gehad. Dat was de eerste die ze zich herinnerde. Lerares Duits. Ze had gewonnen zei ze in de klas. Ze was schoon bleek in het ziekenhuis. Een half jaar later stonden alle kinderen van de klas aan haar graf. Die cineast had een film gemaakt. Hij had gereisd om zo zijn kanker te overwinnen. Man on the Moon had ze gezien. Andy Kaufmann had ook gereisd. Ze lachte om de scene waar de philipijnse wonderdokter de tumor uit zijn lijf pakte zonder het lijf te openen. Fake was het.
De morfinepomp stond haar te wachten. Een pomp in een groen zwarte houder die je een beetje royaler kon zetten als de pijn teveel werd. Ze voelde nu geen pijn. Er was eigenlijk niks aan de hand. Ze voelde zich vandaag goed.
‘Centraal station, eindpunt van deze trein.’
Ze keek naar buiten en zag het ziekenhuis. Daar zou ze ongetwijfeld straks terecht komen.
‘Dit wil ik niet. Dit wil ik niet.’
‘Ik heb niks meer te willen. Willen is voorbij.’
Werktuigelijk stond ze op en liep de gang op. Het was druk. Ze stootte tegen de mensen aan.
‘Voorzichtig, alsjeblieft.’, zei een jongen met een te zware rugzak.
‘Klootzak.’, mompelde ze. Hij hoorde het niet. Bezig met zichzelf. Iedereen is bezig met zichzelf.
‘Ik ga dood.’, zei ze
De jongen keek haar aan.
‘Ik ook.’, zei hij, ‘Iedereen gaat dood.’
Ze zweeg weer. De deuren gingen open. De trein stortte de mensenmassa uit. De jongen keek haar weer aan.
‘Heb je gehuild?’
‘Ja. Ik heb gehuild.’
‘Kan ik iets doen?’
‘Nee, dat denk ik niet.’
‘Je komt wel thuis?’
‘Ik denk het wel.’
Wonderlijk dat hij medeleven toonde, terwijl ze hem net nog klootzak noemde. Ze trilde op haar benen. Ze stapte uit de trein. Ze voelde dat het niet ging. Ze voelde het bloed naar haar hoofd stijgen en ze voelde dat ze viel. Daarna voelde ze niks meer.
‘Wordt wakker. Wordt eens wakker’
Ze deed haar ogen open en zag de jongen van de te zware rugtas. Ze voelde dat hij in haar hand kneep. Het was koud. Ze lag op een ijzeren bank op het perron. Ze kneep terug in zijn hand.
‘Ik ben er nog even.’, zei ze.
‘Gelukkig wel. Ik heb 112 gebeld. Ze komen met een brancard hier naartoe.’
‘Dat wil ik niet. Ik kan weer lopen.’
Ze wilde opstaan, maar haar lijf werkte niet mee.
‘Straks val je weer flauw. Blijf maar liggen.’
‘Nee, ik wil lopen. Ik wil naar huis.’
Ze probeerde nog een keer op te staan, maar het ging niet. Ze kwam wel overeind, maar bracht het niet verder dan zitten op de koude harde stalen bank.
‘Hier, ik heb nog wat cola. Drink dat maar.’, zei de jongen.
Hij reikte haar de petfles aan waarin Cola light met lemon smaak zat. Ze dronk voorzichtig. Hij had gelijk. Ze had vreselijke dorst. De hele middag had ze niet gedronken. In het ziekenhuis had ze eindeloos moeten wachten. Na het gesprek met de dokter had ze niet meer aan drinken gedacht. Terwijl ze dronk, voelde ze de duizelingen in haar hoofd verdwijnen.
‘Vanmiddag heb ik gehoord dat ik doodga. Nog hooguit een jaar.’, zei ze tegen de jongen.
Hij keek haar aan en knikte.
‘Dat zei je net ook al, daar in de trein.’
‘Ik weet niet meer wat ik moet doen.’
De jongen knikte.
‘Het spijt mij voor jou. We willen allemaal liever leven.’
‘Afgelopen.’
De jongen keek om zich heen. De brancardiers waren nog in geen velden of wegen te zien. Misschien waren ze op het verkeerde perron of misschien wel op het verkeerde station.
‘Tegen mij hebben ze ook gezegd dat ik dood ging. Dat is nu vijf jaar geleden. Ik ben er nog steeds.’
‘Je liegt. Je zegt zoiets alleen maar om mij te troosten.’
‘Ik lieg niet.’
‘Ik had ook kanker, of liever ik heb nog steeds kanker.’
‘Wat heb je dan gedaan.’
‘Niks. Nou ja, ik heb wel iets gedaan. Ik heb mijn hele leven veranderd. Ik ben gestopt met slechte dingen eten en ik loop dagelijks vijf tot kilometer. Het is stabiel geworden. Ingekapseld of zo.’
‘Ik geloof er niks van.’
‘Het leven moet je leven tot het niet meer gaat.’
Ze gaf de petfles terug aan de jongen.
‘Ik geloof dat de brancard niet meer komt.’, zei de jongen.
‘Mooi, dat wil ik ook niet.’
‘Geef mij maar een arm, dan lopen we naar de stationshal.’
Hij helpt haar opstaan en zij steekt haar arm door de zijne. Hij voelt vertrouwd. De grote rugzak op zijn rug doet haar denken aan vorige zomer. Samen met haar vriend liep ze door de Zwitserse Alpen een bergentocht. Frisse lucht. Iedere dag vijf tot zes uur lopen. Van hut naar hut. Soms hoorde je hele dagen niks. Heerlijk was dat.
Ze loopt voorzichtig naast hem naar de trap die naar de stationshal voert.
‘We nemen de lift.’
‘Ik kan best met de trap naar beneden. Ik ben nog niet gehandicapt.’
‘We nemen de lift.’
Hij duwt haar voorbij de trap. Ze sputtert niet langer tegen. Ze geeft zich over. Dat is mijn toekomst denkt ze. Ik moet mij overgeven. Ik moet mij van alles laten aanleunen. Er is niks anders meer.
De lift komt. Hij duwt haar er zachtjes in. De lift glijdt langzaam naar beneden. Ze ziet de mensen in de hal gehaast naar of van een trein lopen. Dat is normaal. Dat deed ik ook, denkt ze. Zij zijn normaal, ik niet.
‘Ik zet je in een taxi naar huis. Ik heb nog een treintaxikaartje.’, zegt de jongen.
‘Ik ga met de bus.’
‘Neen.’
Ze stribbelt voor de vorm nog een beetje tegen, maar het helpt niet.



Copyright 2004 © Sylans.net