|
| Een kantoormoment op zondagochtend. | Zondag 2 april 2006 | |

Alex legde de NRC weg.
Hij dacht terug aan de opperste opperchef van wie nu door de professor gezegd werd dat het onvoorstelbaar was dat iemand zo overtuigd kon zijn van haar eigen gelijk.
Het was waar.
Hij herinnerde zich het moment waarop hij voor het eerst met haar in conflict was.
Ze had een vergadering belegd in het kantoor waarvan Alex de leiding had.
In de vergaderzaal hingen bordjes waarop aangegeven werd dat roken verboden was.
De opperste opperchef stak een sigaret op.
‘Je mag hier niet roken’, zei Alex.
‘Dat geldt niet voor opperste opperchef en opperchefs’, zei ze terwijl ze diep inhaleerde en de gore rook in Alex’ richting blies.
Het was nooit meer goed gekomen.
Ze was een soort verlicht despoot geworden.
De opperchefs volgden.
Jarenlang heerste het schrikbewind.
En nog.
Morgen zouden er mogelijk koppen rollen.
Welke afvallige zou het memo hebben laten lekken?
Wie o, wie?
Alex belde Paul.
‘Heb je het gelezen?’
‘Ja, mooi is het.’
‘Was het Jochem?’
‘Jochem?’
‘Ja, die hoge ambtenaar die gelekt heeft.’
‘Jochem is toch niet hoog, je bent te lang weg.’
‘Jochem had wel contacten.’
‘Nee, het was vast en zeker Jochem niet.’
‘Gaan we motorrijden?’
‘Doen we.’
Ze reden over de boulevard en gingen achter glas in het strandhuis zitten.
Koffie met appeltaart lieten ze komen.
De zon kwam er bij.
Het was warm in de motorpakken.
Maar het was gezellig.
‘Kijk, daar loopt ze.’
‘Wie?’
‘De opperste opperchef.’
‘Echt waar?’
In de verte wandelde met grote stappen de opperste opperchef over het strand.
Ze rookte.
Ze was alleen.
Zou ze nadenken over haar defungeren?
Dat was toch de enige keuze.
‘We gaan het deze week horen’, zei Alex.
‘Tja, wie weet’, zei Paul.
|
|
|