|
| Een kantoormoment | Woensdag 2 november 2005 | |
‘Waar is de Chef?’ vroeg Paul aan Alex.
‘Hij is naar een cursus. Creatief denken of zoiets’, zei Alex.
‘Echt waar. Nou dan kunnen we volgende week weer een hoop onzin verwachten.’
‘Onzin en gezeur. Ik heb die man nog nooit op een creatieve gedachte kunnen betrappen. Hij zal vast en zeker ook nu niets leren.’
Het was een koude dag. De kou sloeg door de ramen naar binnen.
‘Is die verwarmng nog niet aan?’
‘Nee, schijnt iets te zijn met het luchtbehandelingssysteem.’
‘Tjezus wat is het koud.’
Alex trok zijn sjaal strakker om zijn nek.
‘Onmenselijk is het hier.’
‘Ik had een straalkacheltje mee moeten nemen.’
‘Ja, zoiets als vroeger in een badkamer hing.’
‘Weer een vergeten product.’
Alex zag de badkamer uit zijn jeugd voor zich. Een straalkacheltje met een rood gloeiende spiraal hing boven de deur. Je moest aan een touwtje trekken om het aan te doen. Hij kon er jarenlang niet bij. Dan moest hij eerst een stoel pakken om daar boven op te klimmen om die kachel aan te trekken. Het duurde vervolgens zeker tien minuten voor iets van warmte voelbaar was. Later had zijn vader een oliekacheltje in de badkamer gezet. Alex had al snel ontdekt dat als je water op de brander gooide mooie vlammen omhoog spoten. Als een vulkaan die ontplofte. Steeds meer water gooide hij uit het bad op de brander. Net zo lang tot het plafond van de badkamer zwart geblakerd was. Die roet had hij met een handdoek proberen weg te halen, maar de zwarte vegen waren alleen maar groter geworden.
‘Die kachel spoog vlammen’, zei hij tegen zijn moeder toen ze kwaad was over het zwarte plafond, ‘zomaar, ik lag gewoon in bad, ik schrok vreselijk.’
‘Tijd voor muziek’, zei Paul.
Even later zong Cliff Richard over ‘A Summer Holiday.’
Weemoedig zongen ze mee.
|
|
|