|
| Een kantoormoment | Maandag 12 september 2005 | |
‘Wadwandelen?’
‘Ja, wadwandelen. Dat is goed voor lichaam en geest. Het geeft een totale eenwording van het Ying en het Yang. Het integreert het denken en het voelen’, ratelde de Chef tegen de Opperchef.
‘En het kost negenenveertig honderd euro?’
‘Niet duur. Veel geld, maar niet duur. Het vergroot mijn spectrum aan managementvaardigheden enorm. Een boost voor mijn zijn en voor het kantoor. Natuurlijk voor het kantoor’, zei de Chef.
‘Met Herman Boswinkel?’
‘Ja, ja, Herman kent onze organisatie dat is een plus. En hij kent mij. Dat is nog een plus. Een superplus.’
De opperchef leunde achterover. Budget genoeg. Dat was altijd voldoende aan het eind van het jaar. Hij kneep het eerste half jaar iedereen af en had dan zoveel over dat hij het niet wist uit te geven. Soms was hij bang dat de interne controledienst een opmerking zou maken. Maar die hadden tot nu toe niets gezegd. Hij keek nu naar de Chef. De man zag er slecht uit.
‘Hoe gaat het thuis?’
‘Heel goed, heel goed’, loog de Chef.
Hij dacht aan het afgelopen weekend. Rita was zaterdagochtend huilend beneden gekomen. Ze had een telefoontje gekregen van haar exman. Zijn moeder had een bloedprop in haar hersens gekregen en was nu dood. Ze vond haar exman een echte eikel, maar haar schoonmoeder was een voorbeeld voor haar geweest.
Het hele weekend had ze over die schoonmoeder die geen schoonmoeder meer was gepraat. De Chef had niets kunnen zeggen, want dat zou weer als harteloos worden uitgelegd. Hij had overwogen naar de zaak te gaan, maar hij had geen sleutels meer. Vroeger wel. Dan kon je op de zaak onderduiken. Dat waren mooie tijden. Hij droomde er nu van om een veldbed neer te zetten, Kylikkie te bellen en op het kantoor op zondagmiddag de liefde te bedrijven. Hij had overwogen om om half vier, direct na de formule 1 race die hij op televisie gevolgd had, even te masturberen, maar had daar van afgezien toen Rita en zijn vrouw te vroeg van een middagwandeling terugkwamen. Gewoon een week wadwandelen. Dat leek hem nu het beste. Even weg zijn van alles.
‘Nou vooruit dan maar’, zei de Opperchef.
‘Bedankt.’
De Chef belde Herman Boswinkel direct.
Hij zou Kylikkie meevragen.
Ze zou op hem wachten op het eiland.
De kamer was groot genoeg en niemand die het merkte.
Hij wreef zich in zijn handen en begon zachtjes te zingen.
De melodie van Manuela.
‘Een glimlach om haar mond, haar borsten warm en rond,
|
|
|