|
| Een kantoormoment | Maandag 5 september 2005 | |
‘Op de volgende veertig’, zei Paul tegen Marianne.
‘Haha’, zei ze.
‘Hoeveel straftijd heb je?’
‘Zeker vier jaar’, zuchtte ze.
Het was niet druk op het feestje van Marianne.
Ze was daar blij om.
Het feestje was min of meer onder druk van de Chef tot stand gekomen.
Het liefst had ze haar jubileum geruisloos voorbij laten gaan, maar de Chef had gezegd dat dat niet kon.
‘Je hoort die dingen te vieren’, zei hij.
Ze had zich laten overhalen, maar had nu spijt.
De Chef was er weliswaar, maar ze ergerde zich aan hem.
Hij had geen toespraak gehouden.
Daar had ze heimelijk op gehoopt, ondanks dat ze gezegd had dat ze geen toespraken wilde. En er was ook geen cadeautje.
Niets.
De Chef liep alleen maar te lachen.
Om zichzelf kennelijk.
Want niemand lachte mee.
De zelf ingenomen druiloor.
Het werd stil toen de Chef en Karel in gesprek raakten.
‘Draag je dat thuis ook zo als er visite komt? Een korte broek met witte sokken eronder?’, vroeg de Chef aan Karel.
‘Ja hoor, maar ik weet zeker dat jij dat apepak alleen hier aan hebt. En je mag trouwens ook wel eens naar de kapper’, zei Karel.
‘Jij zoekt een conflict’, zei de Chef.
Hij lachte weer.
Hij leek niet goed wijs.
Toen ging zijn telefoon.
‘Chef’, zei de Chef.
Hij luisterde.
‘Ja maar, hoe laat moet ik dan nu weer thuis zijn?’, zei de Chef.
‘Zijn vrouw’, zei Alex.
‘Dat mens is ziek’, zei Michael.
‘Ik moet werken’, zei de Chef.
De telefoon kraakte.
Het stemgeluid van de vrouw van de Chef was hard.
De Chef liep weg.
Hij lachtte niet meer.
‘Blij toe dat ze belde’, zei Karel.
‘Nu wordt het toch nog gezellig’, zei Alex.
|
|
|