|
| Een kantoormoment | Zondag 4 september 2005 | |
‘Mijn Chef is verliefd op mij’, zei Metalkid tegen Metalvriendin.
‘Jij bent gek’, zei Metalvriendin.
‘Echt waar, hij knipoogde naar mij’, ging Metalkid door.
‘Ik zou maar oppassen. Voor je het weet vraagt hij je mee naar het invalidentoilet’, zei Metalvriendin.
Metalkid lachte als een boer met kiespijn.
‘Gewoon negeren, dat is het beste’, zei Metalvriendin.
‘Ja, maar ik zit ermee’, zei Metalkid.

Hij draaide de volume knop hoger en Cantus Buranus van Corvus Corax schalde uit de speakers.
De Chef was vroeg opgestaan.
Vandaag zou hij niet in de tuin werken.
Vandaag deed hij dingen voor zichzelf.
Hij wilde gaan lezen in zijn nieuwe managementboek.
Good to Great heette het.
Het goede is de vijand van het geweldig.
De Chef wist dat hij geweldig was.
Vrijdagavond had hij Kylikkie ontmoet.
Hij had tegen zijn vrouw gezegd dat hij vijftig kilometer ging wielrennen, maar in werkelijkheid had hij met Kylikkie afgesproken in het cafetje langs de rivier. Binnen vijf minuten was hij naar het cafeetje toegefietst. Kylikkie was er al. Het was geweldig geweest haar weer te zien.
Ze was mager geworden.
De tijd in Finland was zwaar geweest.
Seppo had drie weken in coma gelegen na zijn motorongeluk.
Drie weken had Kylikkie aan zijn bed gezeten.
Ze huilde toen ze erover vertelde.
De Chef had zijn arm om haar heengeslagen en haar tegen zich aan getrokken.
Hij had haar zachtjes gekust.
‘Ik vertel niet aan Tuulykkie dat ik je gezien heb, hoor’, zei Kylikkie.
‘Nee, beter van niet’, zei de Chef.
‘Ik heb werk nodig’, zei Kylikkie.
‘Ik kijk wat ik kan doen’, zei de Chef.
Hij was opgeladen door de ontmoeting met Kylikkie.
Zaterdagochtend sliep hij uit.
In de middag maakte hij ruzie met Rita.
‘Ik wil dat je verdwijnt’, had hij haar toegevoegd.
Rita was die avond met de vrouw van de Chef uitgegaan.
‘Ze doen maar’, dacht de Chef.
Hij had genoten van de wedstrijd van het Nederlands elftal.
En nu ging hij lezen.
Hij was een great manager immers.
‘I’m in control’, dacht hij.
|
|
|