|
| Een kantoormoment | Donderdag 1 september 2005 | |
‘Ze doen maar hier. Mij kan het niets meer schelen. Helemaal niets meer. Als ik wil, ben ik zo weg. Dan ga ik iets anders doen. Het is mij allemaal om het even.’
Arend was boos, zoveel was duidelijk.
Een stortvloed van woorden goot hij over Alex uit.
Alex had hem uit het oog verloren na de laatste reorganisatie en was hem nu bij toeval in de gang van de achtste verdieping tegengekomen. De simpele vraag: ‘Hoe gaat het?’ had gezorgd voor de nu al twintig minuten durende tirade.
‘Het is waar, het is er hier niet beter op geworden met al die reorganisaties’, had Alex gezegd.
‘Nog acht jaar, zeven maanden en vier dagen op de kop af dan mag ik met vervroegde invrijheidsstelling. Drie jaar verlenging gekregen. De hufters. Ze weten niet wat het is. Ik word gek. Ik meld me binnenkort weer twee weken ziek. Ze bekijken het maar. Het is gewoon klote’, ging Arend verder.
‘Ja, en de leiding doet niets’, zei Alex.
‘De leiding? Welke leiding? Er is helemaal geen leiding meer. Ja, waterleiding en gasleiding. Hoewel in de winter is het hier nog koud ook. Ik vraag me af of er een gasleiding is. Leiding ik moet ervan braken. Je ziet ze niet, je hoort ze niet, ze lopen elkaar de hele dag te bevlekken en ze sturen domme emails.’
‘Ja, dat is ook een plaag, die emails.’
‘Zwijg ervan. Het is een ramp. Voor mij is de lol eraf. Helemaal.’
Arend was rood aangelopen.
Vroeger was hij ook altijd al boos, maar het was erger geworden.
‘En thuis? Hoe gaat het thuis?’ vroeg Alex.
‘Shit, shit en nog eens shit’, zei Arend.
Dat duurt zeker nog een uur, dacht Alex.
Hij had spijt van zijn vraag.
|
|
|