|
| Een kantoormoment | Vrijdag 26 augustus 2005 | |
‘Mag ik even storen mijnheer?’ vroeg de lachende man.
Alex keek verstoord op.
Hij was helemaal opgegaan in zijn boek.
‘Ja ziet u ik ben dakloos’, zei de lachende man.
Alex werd kwaad en zei: ‘Ga weg.’
De lachende man lachte niet meer.
‘Dat noemen ze manieren’, zei hij terwijl hij wegliep.
Alex werd nu pas echt kwaad.
Hij had zin om de dakloze een knal te verkopen.
Gewoon zo’n mep dat hij voorlopig niemand meer zou storen.
‘Je kan beter werk zoeken’, riep hij achter de dakloze aan.
Die gaf hem de vinger.
Een dag om niet snel te vergeten.
Het was al zo’n lange dag.
De hele dag onderhandelen over de milieuvergunning van een bakkerij.
Hoeveel geur is te tolereren.
Het hele zaakje stonk wat Alex betreft.
Weg ermee.
En tot overmaat van ramp had die man aan Michael gevraagd of hij wel eens lachte.
‘U doet zo loodzwaar’, zei de bakker.
‘Bemoeit u zich met uw eigen zaken’, had Michael gezegd, ‘Ik zeg toch ook niet dat u op Gordon lijkt met dat rare roze overhemd.’
‘Nee, want ik lijk niet op Gordon’, had de bakker gezegd.
‘Ik vind van wel, maar ik zeg het niet en ik lach als ik wil’, zei Michael.
Daarna heerste een tijdlang een ijzige stilte in de kamer.
Alex had moeten werken om het gesprek weer vlot te krijgen.
Nu had hij hoofdpijn.
Hij wou dat hij thuis was.
Even naar muziek luisteren.
Even ontspannen.
|
|
|